|
Naar aanleiding van het 150-jarig bestaan van de school is er ook een stevig jubileumboek tot stand gekomen. Dit boek is niet uit het niets gekomen. 25 jaar geleden werd het 125-jarig bestaan van de school gevierd en ook toen werd een boek geschreven over de geschiedenis van het Sint-Aloysiuscollege. Dit werk was opgevat als een begeleidende tekst bij een historische tentoonstelling. Toenmalig directeur Paul Ollevier formuleerde in zijn voorwoord daarbij deze wens: ”Moge dit gedenkboek de belangstelling voor eigen verleden bij velen aanscherpen en de basis bieden om dit werk verder te zetten.” Het werd dan ook vrij vlug duidelijk dat in het kader van de huidige viering dit werk inderdaad een vervolg moest krijgen. Binnen de stuurgroep die de festiviteiten n.a.v. de viering van 150 jaar college voorbereidde, werd een werkgroep gevormd om deze nieuwe publicatie tot stand te brengen. Adjunct – directeur Isabelle De Keyser, zelf historica, stond in voor de coördinatie van de werkgroep en de eindredactie. Deze werkgroep bestond uit oud-leerkrachten Jef Dumoulin, André Gysel, Godfried Vandenberghe, mijzelf en niet in het minst Herwig Callewaert die ook al de drijvende kracht was achter het eerste boek. Tijdens talrijke vergaderingen kreeg het concept van het boek geleidelijk aan vorm. Er werd gekozen om het werk uit twee grote delen te laten bestaan. In een eerste deel wordt de 150-jarige geschiedenis van het college gereconstrueerd, het tweede deel biedt dan een inkijk op hetcollegeleven zoals het er op de dag van vandaag uitziet.
Ik wil even nader op die twee delen ingaan. Wie zich ooit gewaagd heeft aan geschiedschrijving, zij het als amateur , b.v. in het kader van een familiegeschiedenis of heemkundig onderzoek, zij het als professionele wetenschapper, weet dat bronnenonderzoek hierbij van cruciaal belang is. De auteurs van het voorliggende boek werden helaas al vrij vlug geconfronteerd met het feit dat het bronnenmateriaal eerder beperkt is. De reden hiervan is voor de hand liggend. De stad Diksmuide was tot tweemaal toe het toneel van zware vijandelijkheden tijdens de wereldoorlogen. Veel materiaal werd vernield. Zo bezit het college zelf nauwelijks enig archief uit de eerste 80-90 jaar van zijn bestaan. Gelukkig was daar de met de hand geschreven kroniek uit 1952 van Diksmuideling Karel Flour, geboren in 1883 en overleden in 1958 en oud-leerling van het college in de jaren 90 van de 19de eeuw. Deze man, die gedurende 43 jaar ontvanger van de Commissie van Openbare Onderstand van Diksmuide was, heeft op een anekdotische en luimige, maar ook zeer accurate en chronologisch geordende wijze, feitenmateriaal bijeengebracht dat anders onherroepelijk verloren zou zijn gegaan. Daarnaast waren enkele zeldzame palmaressen, de dagboeken van de principalen Ampe en Vanhaverbeke, een notitieboekje van deken Vanden Abeele, notities van meester Decorte en meester Vandeputte en enkele losse documenten, de schaarse informatiebronnen uit deze eerste periode. Ook in het archief van de dekenij Diksmuide en het stadsarchief van Diksmuide is nauwelijks of geen informatie over het college te vinden. Gelukkig was het Bisschoppelijk Archief in Brugge een bron van rijke informatie. Zo konden we inzage krijgen in een uitgebreide briefwisseling van de respectieve principalen met de bisschop, er zijn de acta episcoporum (de handelingen van de bisschoppen), de Almanachs en de Jaarboeken van het bisdom, plannen, foto’s en gedachtenisprentjes. We wensen hierbij adjunct-archivaris E.H. Leo Loosveld en oud-medepastoor van Diksmuide van harte te danken voor de hulp die hij ons bood, net als oud-leraar van het VTI Herman Demoen, zo wat het historisch geheugen van Diksmuide, voor zijn onontbeerlijke raad en waardevolle suggesties. Voor de recentere periode van na de Tweede Wereldoorlog beschikken we over heel wat meer en interessant materiaal. De opeenvolgende principalen en directeurs – de benaming principaal raakte omstreeks 1960 in onbruik- leverden elk op hun eigen weliswaar niet altijd gemakkelijk te doorgronden manier, hun bijdrage tot het in standhouden en klasseren van het voorhanden zijnde materiaal. Daarnaast beschikken we met het schooltijdschrift Contact dat reeds 30 jaar bestaat, over een rijke schat aan informatie over het dagelijkse reilen en zeilen van de school. Heel wat oud-personeelsleden en oud-leerlingen hebben ons ook informatie kunnen geven en zeker niet te vergeten, zowel mijn mede-auteur oud-leraar Herwig Callewaert als ikzelf, hebben samen bijna een halve eeuw de collegegeschiedenis van binnenuit meegemaakt.
Ik geloof dat we er dan ook in geslaagd zijn een degelijk historisch gefundeerd verhaal te brengen in een onderhoudende stijl, hier en daar gekruid met enkele pittoreske anekdotes en rijk geïllustreerd met meer dan 150 foto’s, waarvan vele nooit eerder werden gepubliceerd. We hebben kunnen merken en ook zelf ondervonden dat het Sint-Aloysiuscollege van Diksmuide steeds een school op mensenmaat geweest is, met veel aandacht voor de noden van de individuele leerling en met een hoog democratisch en ook progressief gehalte, getuige de vroege invoering van het gemengd onderwijs en de strijd om aan zoveel mogelijk leerlingen de kans te bieden om onderwijs in eigen streek te volgen. Daarnaast is de school er ook steeds in geslaagd om een hoog studiepeil te handhaven, zoals blijkt uit de uitstekende resultaten die de oud-leerlingen van het college doorheen al die jaren in een zich steeds wisselende maatschappelijke context in het hoger onderwijs hebben behaald en uit de verantwoordelijke posities die zeer veel van hen in de maatschappij hebben ingenomen.
Het valt dan ook niet te verwonderen dat we dan in een tweede deel een beeld hebben willen geven van die moderne dynamische school zoals ze er bij het begin van de 21ste eeuw uitziet. Daarvoor hebben we gekozen voor een thematische aanpak. We hebben aan een aantal personeelsleden en oud-personeelsleden gevraagd om telkens één thema te belichten, meestal ook gepaard gaande met een korte beschrijving van hoe het gegroeid is. In acht hoofdstukjes, samen ook ongeveer 125 bladzijden, komen een aantal thema’s aan bod die een rijke en zeer volledige staalkaart bieden van wat er naast het pure lesgeven allemaal leeft op school. Zo zal de lezer kennis kunnen maken met de leerlingenbegeleiding en het peter- en meterproject, met de manier waarop in deze moderne tijd de christelijke dimensie van de school gestalte krijgt via o.a. de pastorale werkgroep, het project Wereldschool en de Mondiale week. Ook cultuur waaronder toneel, film, een literaire dag en poëzie nemen op school een belangrijke plaats in naast buitenlandse reizen en pedagogische excursies. En niet te vergeten, het college is ook een uiterst muzikale school met “De Speelschare”, “Het Ensemble” en het schoolkoor. Sport op school mag eveneens niet ontbreken, net als milieuzorg en de bekommernis voor een gezonde school. In het achtste en laatste hoofdstukje van dit tweede deel wordt de werking van de oud-leerlingenbond beschreven en kunnen we ook enkele interviews lezen met oud-leerlingen en oud-leerkrachten. Dit laatste hoofdstukje springt er een beetje uit omdat het in tegenstelling tot de vorige hoofdstukken geen beeld biedt van de school vandaag, maar vaak met enige nostalgie het verleden oproept. In deze interviews staat hoofdzakelijk het anekdotische centraal en ik ben er zeker van dat er bij heel wat belangstellende lezers, naar ik hoop vooral aangename herinneringen naar boven zullen komen of dat een een herkenningsgevoel zal optreden. Het boek bevat tenslotte ook een 7-tal bijlagen. Zo werd een kadastraal plan opgemaakt van de gebouwen, waarop duidelijk te zien is hoe het huidige college in de Wilgendijk in de loop der jaren geleidelijk tot stand gekomen is en uitgebreid werd. Een andere bijlage schetst de evolutie van het aantal leerlingen van na de Tweede Wereldoorlog tot op de dag van vandaag. Van de periode daarvoor hebben we geen echt betrouwbare cijfers, maar toch...voor de petite histoire: toen het college na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog pas in 1923 opnieuw van start ging in de onderpastorie in de Woumenstraat, waren er welgeteld twee leerlingen ingeschreven . Zij kregen les van één professor –priester-leraars werden toen professor genoemd- en er was ook nog de principaal, Z.E.H.Serafien Inghelram die zich bezighield met de wederopbouw. Ter vergelijking: In dit jubileumjaar zijn er 521 leerlingen en ongeveer 65 leerkrachten. In een volgende bijlage brengen we ook een overzicht van de evolutie van de studierichtingen in de loop der jaren met als voorlopig eindpunt de oprichting van de studierichting Humane wetenschappen in 2005. Zoëven heb ik gezegd dat het college geworden is wat het nu is dank zij de onverdroten inzet van zoveel leraren in de loop der jaren. Als symbolische dank voor al die inzet hebben we in bijlage ook een lijst opgenomen van alle personeelsleden die ooit aan het Sint-Aloysiuscollege verbonden zijn geweest als lesgever of als studiemeester, surveillant, opvoeder of administratief medewerker. Zo zijn we gekomen tot een lijst van 15 directeurs of principaals en 2 adjunct-directeurs, 97 priesters-leraren en 232 leken-leerkrachten. Tenslotte mocht een prachtige kleurenfoto van het jubilerende korps niet ontbreken. Het 288 bladzijden tellende jubileumboek van het Sint-Aloysiuscollege is te verkrijgen op het secrectariaat van de school en kost 19 euro.
Rik Willaert Eredirecteur
|